In deel 2 is met name stil gestaan bij de zeven hoofdzonden zoals omschreven door paus Gregorius I. Deze hadden als doel om een soort sociale gemeenschapsethiek te realiseren om het geweld in die tijd in te dammen. In dit hoofdstuk gaan we in op de visie van een persoon die precies het tegenovergestelde benadrukt dan in deel 1 en 2. Namelijk dat ondeugden welvaart brengen.
De visie van B. Mandeville (1670 – 1733)
Als laatste in deze korte historische rij een persoon die je als tegenhanger kunt zien van de hoofdzonden. Sterker nog, juist door het doen van ondeugden (zonden) komen mensen niet alleen tot hun recht maar laten anderen daar ook van profiteren. Dan heb ik het over Bernard Mandeville, zenuwarts en filosoof met zijn stelling dat ondeugd de eigenlijke bron is van het algemeen welzijn.
De tijd waarin Mandeville leefde was een volstrekt andere samenleving dan ten tijde van de Middeleeuwen. De invloed van de Rooms Katholieke Kerk op het dagelijks leven was grotendeels verdwenen. Door het optreden van Luther (1483-1546) en later Calvijn(1509-1564) was er een scheiding ontstaan binnen de Rooms Katholieke Kerk. Het protestantisme was in opkomst. Verder waren er de nodige ontdekkingen gedaan: C. Columbus (1451-1506), N. Copernicus (1473-1543) en G. Galilei (1564-1642). En ook binnen de medische wereld in de personen van A. Vesalius (1514-1564) en W. Harvey(1578-1657). De Renaissance (de mens als individu) was over zijn hoogtepunt heen. Maar er was ook sprake van de Inquisitie en de heksenprocessen.
Bovendien woonde en leefde Mandeville vanaf 1693 in Londen waar hij te maken kreeg met een gemeenschap van 4000 Hugenoten die gevlucht waren uit Frankrijk als reactie op de Bartholomeusnacht in 1572 waarin zo’n 20.000 Hugenoten waren vermoord. Een bevolking die ook niet valt te vergelijken met de bevolking tijdens de Middeleeuwen. Meer ontwikkeld, een goed opgeleide bovenlaag naast een nieuwe aristocratie. Het zijn deze patiënten die hem door hun verhalen de toenmalige maatschappij in Engeland laten zien.
Daar oefent hij zijn praktijk als zenuwarts uit maar houdt wel nauw contact met zijn geboorteland, de toenmalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Tegen deze achtergrond schrijft hij een boek met de titel “De fabel van de bijen” met als ondertitel “Particuliere ondeugden, publieke weldaden”. Daarbij is deze ondertitel feitelijk een paradox: deze particuliere ondeugden (menselijke hartstochten) kunnen door het handige bestuur van een bekwaam politicus in publieke weldaden worden omgezet.
Voorbeelden van deze ondeugden of menselijke hartstochten (hier spreekt de zenuwarts) zijn zelfzuchtigheid, schaamte, trots, woede, gierigheid of kwistigheid. In zijn optiek gaat het bij deze hartstochten steeds om één ding: onze zelfvoorkeur. De zorg die mensen voor zichzelf hebben. Zelfvoorkeur dat in zijn ogen mensen geschikt maakt om samen te leven; samen-leven: samenleving: sociabiliteit.
Wat bedoelde Mandeville met het woord zelfvoorkeur?
Zelfvoorkeur is niet hetzelfde als eigenliefde. Voor Mandeville is het zowel eigenliefde als het etaleren van een meerderwaardigheidsgevoel. Het is een instinct waardoor ieder individu zichzelf hoger taxeert dan zijn reële waarde. Maar het leidt tegelijkertijd tot een bezorgdheid dat we onszelf overwaarderen. Het is deze bezorgdheid die ons vervolgens doet hunkeren naar de goedkeuring van de ander. En als dat niet gebeurd dan leidt dat vervolgens tot gevoelens van minderwaardigheid. En het zijn nu juist deze meer/minderwaardigheidsgevoelens die weer samenhangen met twee hartstochten: trots en schaamte. Hartstochten die voortkomen uit onze zelfvoorkeur.
In het dagelijks leven wordt deze zelfvoorkeur op vele manieren geëtaleerd. Van een hunkering naar aandacht en succes tot en met de schone schijn ophouden. Tot het vermommen onder kleding, toga’s en uniformen. Tot veinzerij en huichelarij. Kortom: particuliere ondeugden/hartstochten, maar publieke weldaden.

Ter illustratie:
Het zijn nu juist deze hartstochten of ondeugden als trots/hoogmoed, jaloezie/afgunst en eigenwaan/ijdelheid die de vraag naar luxe goederen omhoog stuwen en daarmee de samenleving welvarend maken (lees de circulatie van goederen en geld is essentieel voor de groei en welvaart van een land). Het is nl. onze trots (hoogmoed) die ertoe leidt dat mensen zich onderling met elkaar vergelijken. Vergelijken leidt op zijn beurt tot onderlinge wedijver; soms openlijk, soms in het verborgene door te veinzen. En het is uiteindelijk deze onderlinge wedijver die op zijn beurt weer leidt tot nog hogere uitgaven om te investeren in pompeuze equipages, kostbare kleding, in prachtig meubilair, in weelderige huizen en vorstelijke paleizen. En al deze wedijver leidt ertoe dat er ook steeds weer nieuwe dingen worden ontwikkeld en gemaakt.

Het kan vervolgens niet uitblijven dat de machtige Engelse geestelijkheid kritiek heeft op dit boek. Mandeville kreeg de bijnaam man-devil; Mandeville de duivel. Wat nu met name een reactie oproept in de stellingname van Mandeville is dat hij de vinger legt op een verschijnsel dat men eigenlijk niet wilde horen. Namelijk dat zonder de ondeugden/hartstochten (zelfvoorkeur, trots, schaamte) van de mens geen samenleving tot een rijk en machtig koninkrijk (Engeland onder koning Willem III en zijn vrouw Mary Stuart) kan worden ontwikkeld. En vervolgens tegen het geloof in een onsterfelijk ziel: een waarheid die toen algemeen werd geaccepteerd omdat deze zo aangenaam was. Namelijk het perspectief dat uiteindelijk na de dood een beter bestaan wordt geboden.
Maar in de visie van de Engelse geestelijkheid heeft de mens van nature een moral sens, een zintuig voor goed en kwaad. Volgens Mandeville kent de mens geen aangeboren waarden en normen. Niet geschikt om beschaafd samen te leven, maar met veel inspanning geschikt gemaakt kan worden.
Wat tevens nieuw is in deze discussie dat deze mensbeelden in de 18e eeuw van Mandeville ter discussie kwamen te staan. De aandacht ging nu naar het onderzoeken van de menselijke natuur en de verhouding van deze mens t.o.v. de samenleving. De vraag naar de moraliteit. Aangeboren of aangeleerd. En het is de latere hoogleraar in de moraalfilosofie Adam Smith (1723-1790) met zijn boek The theory of Moral Sentiments (1759) na zijn dood die laat zien dat wat bij Mandeville wordt gezien als een ondeugd, te weten zelfvoorkeur, nu bij Smith wordt verheven tot een deugd. En verder dat Smith in grote lijnen het mensbeeld van Mandeville overneemt. Namelijk dat de deugd uiteindelijk berust op een inachtneming van de mening van anderen. Moraal is sociaal in plaats van aangeboren.
Bronnen
Mandeville, B. (2007) Mensen spreken niet om begrepen te worden (Rotterdam, Lemnoscaat b.v.).
Mandeville, B. (2008) De fabel van de bijen (Rotterdam, Lemniscaat b.v.).