In deel 1 beschreven we de deugden van Aristoteles waarbij in ons dagelijks handelen er altijd sprake is van een teveel, een te weinig en het juiste midden. Maar met betrekking tot woede laat zich geen “het juiste midden” benoemen. Voor woede is de oplossing de wraak volgens Aristoteles. In deel 2 staan we stil bij de opvatting van de Katholieke Kerk ten tijde van de Middeleeuwen.
Hoe keek de Katholieke Kerk naar het fenomeen woede
Met het ontstaan van de Rooms Katholieke Kerk ontstond ook het begrip zonde. Zonde is een christelijke term met als doel om de vele conflicten in de middeleeuwse samenleving meer te beschaven. Zonde verwijst naar een immorele handeling of gedrag. De term verwijst naar ongehoorzaamheid. Ongehoorzaamheid aan de wil van God. Ongehoorzaamheid aan teksten in de bijbel. “Zonde als een misbruik van de vrijheid die God aan de door hem geschapen mens heeft geschonken”. Ongehoorzaamheid aan datgene wat de RKK stelt of zegt. Daarbij gaat het steeds om een persoonlijke schuld.
Het was vervolgens paus Gregorius 1 (ca 540 – 604) die een lijst opstelde van de Zeven Hoofdzonden (of ondeugden). Deze zijn in traditionele volgorde:
Superbia (hoogmoed, hovaardigheid, ijdelheid of trots). De moeder van alle ondeugden. Trots of hoogmoed werd beschouwd als een teken van “overdreven individualisme”.
Avarita (hebzucht, gierigheid).
Luxuria (wellust, onkuisheid).
Indvidia (nijd, gramschap, jaloezie, afgunst).
Gula (gulzigheid, onmatigheid, vraatzucht).
Ira ( woede, toorn).
Acedia (luiheid, gemakzucht, traagheid, vadsigheid).
Deze zeven hoofdzonden werden ook wel de zeven ondeugden genoemd. Als tegenhanger van de genoemde zeven kardinale deugden in deel 1. Ook hier weer de symboliek van het getal zeven.
Schilderij
Het is de schilder Jheronimus Bosch (1450 – 1516) die deze zeven hoofdzonden schilderde in een cirkelvormige ordening dat symbool staat voor het Alziend Oog (God) waarin alles wordt weerspiegeld. Tevens staat de cirkel symbool dat de zonde over de gehele aarde is verbreid. Naast het spiegelen van de eigen zonden is daar het beeld van Christus in het midden van het oog als een redmiddel.
Het dagelijks leven in de Middeleeuwen.

Om te begrijpen waarom paus Gregorius deze zeven hoofdzonden heeft beschreven moeten we kort stilstaan bij het dagelijks leven in de Middeleeuwen (500-1500). Allereerst kunnen we een drietal groepen onderscheiden. Zo was daar de adel; heer of ridders met tal van strijders/soldaten die als het nodig was het geweld niet schuwden. Lichamelijke kwellingen, van honger en ellende tot en met grof geweld. Dit alles behoorde bij het dagelijkse leven. Driften en hartstochten tonen waren heel gewoon. Van lust tot haat, van lichamelijke kwelling tot het vernietigen van de ander. Kortom een tijd van permanent gevaar, een onzeker bestaan waarin nog weinig sprake was van zelfbeheersing; een vorm van beschaving.

Daarnaast waren daar de geestelijken. Monniken (met het kloosterleven), priesters, bisschoppen en de paus in Rome. Die met hun geboden en verboden, boetedoening, vormen van ascese of zelfkwelling een grote invloed hadden op het dagelijks leven van de boeren. Het prediken van hemel en hel bij het begaan van de genoemde ondeugden/zonden was aan de orde van de dag. De duivel/ het kwade aan de ene kant, God/het goede aan de andere kant, Dat praten over de duivel en de hel grote angsten opriep bij de boeren bevolking mag voor zich spreken. Bedenk daarbij dat het grootste deel van de bevolking analfabeet was.

Tenslotte waren daar de boeren. Veelal horigen die diensten om niet op het land moesten verrichten ten behoeve van de ridder of heer. Hun leven van hard werken, het verrichten van verplichte herendiensten voor de heer/ridder, ploeteren en onderdanige nederigheid werd grotendeels beheerst door de ritmiek van de natuur (jaargetijden) en het ritme van dag en nacht. Maar ook van het vieren van het grote aantal christelijke feestdagen in die tijd. En ook hier weer de ongeremde uitbundigheid van drinken en eten (vraatzucht) naast de ziekten, dood en sterven. Kortom; onderhevig aan de onbeheerste hartstochten enerzijds en de natuurkrachten anderzijds.
Het is tegen deze achtergrond dat Gregorius kwam tot zijn lijst met de zeven hoofdzonden. Deze zeven hoofdzonden werden met name in de middeleeuwse samenleving gezien als een vorm van sociale gemeenschapsethiek waarmee de geestelijken het geweld wilden intomen. Ze werden gebruikt om agressief sociaal gedrag te bestraffen.

Daarnaast werden deze ondeugden in de dertiende tot de zestiende eeuw als lijsten van zonden/begrippenkader gebruikt voor de biecht bij de geestelijken (met daarbij de gebruikelijke boetedoening). Waarbij kennelijk de zonden van het vlees (wellust, gulzigheid, hebzucht en luiheid) minder erg waren dan de zonden van de geest (woede, afgunst en hoogmoed).
Bronnen
Bosing, W Jheronimus Bosch. Tussen hemel en hel. (Basic Art-serie 2.0, Taschen-uitgave).
Zie in deze ook www.wikipedia.nl Jheronimus Bosch de zeven hoofdzonden.
Savater, F. (2005) De zeven hoofdzonden. Handleiding voor de 21ste eeuw (Utrecht, Erven J. Bijleveld.
Le Goff,J. & Truong, N. (2004) De geschiedenis van het lichaam in de Middeleeuwen. (Amsterdam, Bert Bakker).
Huizinga, J. (2008) Herfsttij der Middeleeuwen. (Antwerpen, Uitgeverij Contact)