De Ethica Nicomachea van de filosoof Aristoteles
Om het begrip woede te begrijpen binnen de filosofie van Aristoteles eerst een hele korte inleiding op zijn boek de Ethica Nicomachea. Een boek over ethiek; zijn deugdleer. Met wellicht als kern het Nederlands gezegde: de deugd in “t midden.
De Griekse filosoof en wetenschapper Aristoteles (384 – 322 vC) stelt in zijn boek de Ethica Nicomachea de vraag: hoe kan de mens gelukkig worden. Hij beschrijft in deze studie op uiterst scherpe wijze het menselijk gedrag, het menselijk karakter en zijn intellectuele vermogen. Hij benoemt de goede en slechte eigenschappen (disposities) van de mens, de gevoelens en de fundamentele waarden. Deugden als bijvoorbeeld moed (moedig zijn) of rechtvaardigheid (rechtvaardig zijn).
Juist door de toevoeging van het werkwoord zijn legt Aristoteles daarmee de nadruk dat het primair om het handelen van de mens gaat in de alledaagse situaties. Je hoeft daarvoor geen studie te volgen. Juist in ons handelen of ons gedrag ontstaan wat hij noemt onze disposities; onze deugden. Kortom: deugden leer je in het doen, in het handelen, in het voordoen en nadoen. Leren door imitatie.
Naast moed en rechtvaardigheid noemt hij twee andere deugden in zijn boek: wijsheid en gematigdheid. Naast de drie christelijke deugden, te weten geloof, hoop en liefde worden deze zeven deugen ook wel de zeven kardinale deugden. Kardinaal is afgeleid van het Latijnse woord cardo dat scharnier betekent. Het hele leven scharniert om deze deugden.Daarbij zal de symboliek van het getal zeven u niet zijn ontgaan.
In dit handelen, ons dagelijks gedrag is er in de optiek van Aristoteles altijd sprake van of een teveel, of een te weinig en het midden. Het gaat daarbij steeds om het zoeken naar het juiste midden (de deugd in ’t midden).
Voorbeeld
Een deugd als moed beweegt zich tussen enerzijds lafheid en anderzijds overmoed. Waarbij lafheid bestaat uit een te weinig dat volgens Aristoteles gelijk staat aan het terecht worden gewezen. En overmoed dat gelijk staat aan een falen. Het juiste midden is in dit voorbeeld de deugd moed.
Deugden zijn dus in zijn optiek een midden tussen twee uitersten: een teveel en een te weinig. Deugden – lees optimaal functioneren in moreel opzicht – wordt verworven door oefening en gewenning. Kortom: een leerproces.
Gevoelens
Naast deugden onderscheidt Aristoteles ook gevoelens of het huidige woord emoties. Je kunt daarbij denken aan o.a. woede, angst, afgunst, vreugde of haat. Veelal gevoelens waarmee genot of pijn gepaard gaat.
Het lastige bij gevoelens of emoties (gedrag) is echter dat het geen midden toelaat. Sommige emoties hebben nl. zelfs een naam die automatisch al een slechtheid impliceert. Bijvoorbeeld leedvermaak of afgunst (jaloezie). Ook bepaalde gedragingen hebben een negatieve betekenis: diefstal of moord (blz. 109). Dergelijke emoties of gedragingen worden nl. terechtgewezen omdat ze in zichzelf slecht zijn. Correct handelen in deze is dus niet mogelijk; men handelt altijd verkeerd.
De omschrijving van woede
Nu terug naar de titel van dit hoofdstuk: woede, deugd of gedrag. Aristoteles geeft daarvan een hele specifieke omschrijving waarbij het bovenstaande nadrukkelijk naar voren komt. Ik citeer: “zachtmoedigheid is een midden (niet het midden JP) inzake gevoelens van woede. De middenpositie heeft geen naam en ook de uitersten hebben eigenlijk geen naam: daarom passen we de term zachtmoedigheid op het midden toe”(blz. 154).
Dan geeft Aristoteles voor deze redenering de volgende verklaring in termen van teveel en tekort. Ik citeer: “hoewel deze (de term zachtmoedigheid) naar de kant van het tekort neigt dat geen naam heeft kan men het teveel een vorm van lichtgeraaktheid noemen. Want wat men voelt is woede. Maar de dingen die dit gevoel kunnen oproepen zijn talrijk en verschillend”(blz.155). En kunnen per mens kunnen verschillen.
Vervolgens gaat hij over naar de volgende beschrijving van boosheid (of woede). Ik citeer: de persoon nu die zich boos maakt om de juiste dingen, op de juiste personen en verder ook op de juiste wijze, op het juiste moment en gedurende de juiste tijd, wordt geprezen. Deze persoon moet dus wel zachtmoedig zijn, als zachtmoedigheid tenminste wordt geprezen”(blz.155).
En even verder: “zij die op de verkeerde manier woede/ zich boos maken, op het verkeerde moment en op de verkeerde mensen worden als dwaas beschouwd.
Vervolgens geeft Aristoteles nog allemaal voorbeelden van woede/boosheid. Mensen die opvliegend of lichtgeraakt van aard zijn. Of mensen die verbitterd zijn, die zich moeilijk verzoenen en ze blijven lange tijd boos/woede, aangezien ze hun temperament onderdrukken. De woede komt alleen tot rust wanneer zulke mensen revanche nemen. Wraak vervangt de pijn namelijk door het genot en maakt zo een einde aan de woede. In al deze gevallen wordt eerder het teveel beschreven omdat dit naar de mening van Aristoteles nu eenmaal meer bij de menselijke natuur past zich te wreken.
(**) Er is wel een fundamenteel verschil tussen de deugden van Aristoteles en de drie genoemde deugden uit het Christendom. Het meest kenmerkend bij de deugdethiek van Aristoteles is een ethiek van zelfverwerkelijking. Dat wil zeggen: de komen voort uit de mens zelf. Ze moeten door onszelf tot ontplooiing gebracht worden. Het is zijn of haar eigen verdienste.
De drie christelijke deugden moet je zien in het licht van een -in en door God – gegeven. Het zijn barmhartigheid die maakt dat de mens deugdzaam kan leven.
Bron
Hupperts, C. Poortman,B. (2008) Aristoteles Ethica Nicomachea (Budel, DAMON)